Algemeen Het wierdedorp Holwierde, met een radiale structuur, ontstond in de vroege middeleeuwen op een hoger gelegen kwelderwal. Het dorp wordt voor het eerst genoemd in 1247. Nabij dit dorp was tot diep in de vorige eeuw het kloosterterrein van de benedictijner abdij Feldwerd te vinden, waarop ‘twee aanzienlijke boerenplaatsen’ waren gebouwd. Ook was daar nog een uniek overblijfsel van de abdij: ‘eene oude, ruime put of ronde opgemetselde bron, op het hoogste punt van eene terp, en steeds kostelijk water opgeeft, zoodanig dat het er bestendig onderscheidene voeten hooger staat, dan het omliggend maaiveld is’. De plek was een bedevaartsplaats, waar de stichter St. Hathebrandus werd vereerd, wiens beenderen in 1617 (toen de leegstaande gebouwen op afbraak werden verkocht) in een graftombe waren gevonden en die vervolgens heimelijk in 1620 naar het Bernardinerklooster te Antwerpen werden gebracht. Oorspronkelijk was Feldwerd een dubbelklooster, dat, ter onderscheiding van het klooster in de Marne, het ‘Oldeklooster by den Dam’ werd genoemd. Het complex had in 1581 met natuurgeweld te kampen gehad en een bericht daarover luidt: ‘is op den xxvii Novemb. een groot onweer ontstaen, want de Donder in 't Olde-clooster by den Dam de kloeken uytgesmeten heeft, de Beelden en Altaren geraseert, een Peer-Boom ge schelt, en de Begijnen klederen gesengt’. In 1584 werd de abdij door soldaten geplunderd en in 1588 sloeg de bliksem in de kloosterkerk. Kort daarop besloten de overgebleven nonnen om hun intrek te nemen in het refugium binnen de stadsmuren van Groningen.
Exterieur De hervormde kerk (Kerkepad 1), oorspronkelijk gewijd aan St.-Nicolaas, is een romano-gotische kruiskerk met vijfzijdig gesloten koor en dakruiter. Het oudste deel is het tufstenen schip, dat aan het eind van de elfde eeuw zal zijn gebouwd. Dit schip werd in de dertiende eeuw verhoogd. Het is opnieuw verhoogd bij de bouw van het romano-gotische dwarsschip en het overwegend gotische koor in het begin van de veertiende eeuw. Het dwarsschip heeft aan beide kopgevels rijk geprofileerde poortjes, welke beide zijn voorzien van een boogveld met gotische tracering in Bremer zandsteen. Tot het midden van de negentiende eeuw stond hier ook een hoge, vrijstaande toren ‘welke voor de Schippers als een baak in zee is. Dezelve was voor 1807 geheel en al van steen, en had eene hoogte van 180 tot 190 voeten’. Wegens bouwvalligheid en uit vrees dat de gemetselde torenspits ‘nog meer zoude overhellen’ werd die toren in het genoemde jaar bijna gehalveerd, van onderen voorzien van twee steunberen en boven afgedekt met een achtkantige houten bovenbouw en een koepel, die er echter door een storm op 29 november 1836 weer afwaaide. Door deze bouwwijze was de toren door middel van een legende verbonden met de andere Juffertorens te Schildwolde en Onstwedde. In de eerste helft van de negentiende eeuw werd met betrekking tot de kerk genoteerd: ‘Het grootste gedeelte van deze kerk was vóór weinige jaren nog van een steenen verwulfsel voorzien, doch hetwelk in 1825 weggenomen, en daarvoor eenen houten zolder in de plaats gelegd. Het boveneinde is met eenvoudige steenen gewelven’. Reeds in april 1829 werd de torenklok uit 1620 (gegoten door F. Simon, in hetzelfde jaar als het carillon van Appingedam) te koop aangeboden. In december 1853 werd de oude, zware toren op afbraak verkocht. De grote St. Stephanusklok werd in april van het volgende jaar verkocht. De in 1896 gesloopt topgevels van het dwarsschip werden tijdens een restauratie in 1945-1950 herbouwd in vrije vormen. De kerk heeft toen ook een nieuwe dakruiter gekregen, waarin een Mariaklok uit 1467 hangt.
Klik op een foto voor de diaserie van het exterieur
Interieur Inwendig is de kruising voorzien van een meloenvormig koepelgewelf met acht, in een rijke rozet samenkomende ribben; de dwars armen hebben ribloze koepels. Het koor wordt overdekt door een gotisch straalgewelf met geprofileerde ribben en het schip heeft sinds de zestiende eeuw een balkenzoldering. Op het kruisingsgewelf bevinden zich schilderingen uit ten minste drie perioden; een decoratieve schildering, een schildering met symbolische dierfiguren en heiligen op een effen achtergrond en een nog weer jongere decoratieve beschildering. De noordwand in het schip draagt twee fragmenten van Heiligenfiguren, waaronder St. Sebastiaan. Het kerkgebouw, in 1945 ‘..gehavend door krijgsgeweld is door offers van de gemeenschap in luister hersteld, 1950’. De inrichting was echter niet in (oude) luister hersteld: de zeventiende-eeuwse kansel aan de zuidkant stond nu voor het oxaal; het orgel - van zijn oorspronkelijke plaats op dit oxaal verdreven - kwam op een nieuwe galerij aan de westkant. Het middenpad tussen de banken was verdwenen evenals het zeventiende-eeuwse doophek rond de kansel. Een en ander geschiedde tegen de wens van predikant, Kerkvoogdij en gemeente. Op het laatgotische, houten doksaal tussen koor en dwarspanden stond een orgel, dat waarschijnlijk al dateerde uit de zestiende eeuw, maar pas begin zeventiende eeuw voor het eerst wordt vermeld. Blijkens het opschrift op de kas werd dat orgel verbouwd: ‘anno MDCLXIII is dat orgel vernieut en vermeert door Mr. H. Huis’. In 1738 vernieuwde A.A. Hinsz het orgel. In 1828, kort na het uitbreken van de gewelven, volgde een verbouwing door B.l. Freytag, waarbij het front werd voorzien van gesneden zijstukken, zeer waarschijnlijk ter vervanging van vleugeldeuren. Pater Mijleman noteerde in het midden van de zeventiende eeuw: ‘Het orgel van het doos ter werd nu gebruijckt in de kerck van Berum’. Blijkbaar werd in de tijd van de Reductie het orgel uit de kloosterkerk overgeplaatst naar de dorpskerk van het nabij gelegen Bierurn. De abdij had in 1505 deze parochiekerk verworven. In 1955 maakte de Fa. Gebr. Van Vulpen een nieuw binnenwerk. Tot de inventaris van de kerk behoren verder een preekstoel met getorste corinthische zuiltjes (omstreeks 1660) en enkele herenbanken, waarvan één met een gesneden paneel voorzien van het jaartal 1559 en het wapen van Eysens. In het westportaal staat een sarcofaagdeksel in Bentheimer zandsteen met daarop afgebeeld een man en een vrouw en daarboven engelen (tweede helft twaalfde eeuw). De kerkvloer bevat diverse rijke zerken, waaronder die voor Otto Nanszum (overleden in 1575), Johan van Berum (overleden in 1612), ds. Johan van Laxten sr. (overleden in 1621) en ds. Johan van Laxten jr. (overleden in 1644).
Klik op een foto voor de diaserie van het interieur
Bronnen Het Groninger Orgelbezit van Adorp tot Zijldijk Monumenten in Nederland (ISBN: 90-400-9258-3)
Reacties
RSS lijst met reacties op dit artikel