Algemeen Het wegdorp Schildwolde ontstond op een zandrug temidden van veen- en kleigebieden. Er was al een parochie Schildwolde toen de premonstratenzers hier in 1204 het klooster Gratiae Sanctae Mariae stichtten. Dit klooster werd in 1594 afgebroken; de kloosterwierde heeft men in 1853 afgegraven. Langs de in 1457 aangelegde Hoofdweg verrezen in de 19de eeuw diverse grote boerderijen. Nabij de kerk bouwde men dwars op de Hoofdweg landarbeiderswoningen langs de Meenteweg. Ten westen van deze kruising ontstond na de Tweede Wereldoorlog enige nieuwbouw.
Exterieur De hervormde kerk (Hoofdweg 125) is een gepleisterde zaalkerk met vijfzijdig gesloten koor en forse vrijstaande toren. Blijkens een vermelding uit de achttiende eeuw had dit dorp eertijds een oude middeleeuwse kerk ‘zijnde een verwulfd, langwerpig, dufstenen-gebouw, met een orgel versierd’. In 1686 werd, deels met stenen van de oude kerk een nieuwe dorpskerk opgebouwd, die op 12 oktober van dat jaar, ‘vlak voor St. Meertensvloed’, in gebruik werd genomen. Van de oude kerk bleef de vrijstaande Juffertoren" behouden ‘een hooge spitse steenen toren van 180 voeten’. Dit dorp, gelegen in het poldergebied rondom het Schildmeer, had het zwaar te verduren tijdens de Kerstvloed van 1717 toen hier 25 huizen werden weggespoeld. In hoeverre het kerkgebouw schade kreeg is onbekend, maar in 1785 onderging het "aanmerkelijke verbetering" ondenneer door het aanbrengen van ‘uurwijzers en door het omgieten der grootste klok, die een geruimen tijd, gebruikeloos gehangen had’. De vrijstaande toren is rond 1250 opgebouwd met vijf geledingen en puntgevels die overgaan in een achtkante gemetselde spits. De spits is vergelijkbaar met die van Onstwedde en die van de in 1836 ingestorte toren te Holwierde. Deze drie torens worden ‘Juffertorens’ genoemd en waren door een legende aan elkaar verbonden. De forse, sobere toren heeft een laag boogfries onder de galmgaten; de puntgevels worden versierd door nissen en een klimmend boogfries. Het toren uurwerk en de wijzerplaat zijn in 1702 vervaardigd door R. Symons. De ankers die het jaartal 1289 vormen, heeft men waarschijnlijk bij een herstelling in 1829 aangebracht. Na blikseminslagen in 1885, 1904-1905 en 1923 was opnieuw herstel nodig en in 1938-'41 volgde een algehele restauratie naar plannen van A.R. Wittop Koning. Op het kerkhof bevinden enkele zeventiende-eeuwse zerken en het grafmonument voor H.L. Wijchgel (overleden in 1830), gemaakt door steenhouwer W.G. Bosman.
Interieur Het interieur wordt overdekt door een plafond uit 1867. Tot de kerkinventaris behoren een preekstoel met klankbord (1666), twee herenbanken met gesneden opzetstukken, met op één het wapen van Wijchgel (omstreeks 1666), een oranjevaandel (1789) en een door R. Meijer gebouwd orgel (1868). Van de grafzerken in de kerkvloer dateert de oudste uit 1601; interessant zijn die van Jele van Laer (overleden in 1610), Gerbrandt Froorha (overleden in 1666) en de rijke zerk in Lodewijk XV-vormen voor Jan Geertsema (overleden in 1758) en zijn vrouw Hermanna Verhagen (overleden in 1761).
Klik op een foto voor de diaserie
Bronnen Monumenten in Nederland (ISBN: 90-400-9258-3) Het Groninger orgelbezit van Adorp tot Zijldijk