Algemeen Loppersum is een in de vroege middeleeuwen ontstaan wierdedorp en heeft een langgerekte structuur. De centraal op de wierde aangelegde Lage- en Hogestraat zijn tekenend voor de ontwikkeling als handelswierde. Bij de vorming van de wierde heeft ook de meer westelijk gelegen voormalige kreekstroom de Fivel een rol gespeeld. Aan het noord einde breidde men de wierde rond 800 uit voor de bouw van een eerste kerk. In de late middeleeuwen werd de langs de zuidrand van het dorp gegraven Loppersumer Wijmers de belangrijkste handelsweg. De Schipsloot vormt de verbinding met de voet van de wierde. Aan de oostzijde ontstonden in de 17 de eeuw - parallel aan de Lagestraat - de Middenstraat en de Kruisweg. De ten zuiden van de kerk gelegen Aylkumaborg werd waarschijnlijk rond 1780 afgebroken. Na de aanleg van de spoorlijn Groningen - Delfzijl (1884) kwam aan de noordzijde een kleine stationswijk met vrijstaande villa's tot stand, gevolgd door de bouw van middenstandswoningen langs de Singel weg en de Wirdumerweg. Op basis van een uit 1936 stammend uitbreidingsplan kwam aan de westzijde nieuwbouw tot stand. Na de Tweede Wereldoorlog trad verdichting op van de bebouwing tussen het spoor en de Loppersumer Wijmers. De wierde zelf is beschermd gezicht. De middeleeuwse kruiskerk met was eertijds de hoofdkerk van een proosdij. Ook na de Reductie bleef een oud proost-recht, het indultum, bestaan betreffende zeven dorpen: Loppersum, Zeerijp, 't Zandt, Leermens, Oosterwijtwerd, Eenum en Wirdum. Blijkens een gedenksteen aan de toren heeft men in 1610 ‘dese thoren laten repareren‘. In de voormalige sacristie was de ‘fraaje Kerkeraads Kamer, alwaar ook de Classicale vergaderingen worden gehouden, gewoonlijk drie of viermaal ’s Jaars’. De kerk werd na ‘verbetering van het inwendige’, waarbij de preekstoel midden voor het koor werd geplaatst, op 9 december 1832 weer in gebruik genomen.
Exterieur De Hervormde kerk (Kerkpad 1), oorspronkelijk gewijd aan St. Petrus en St. Paulus, is een grote kruiskerk met vijfzijdig gesloten koor, zijkapellen en een forse toren van drie geledingen met zadeldak. Nadat een brand in 1217 de eerste kerk had verwoest, verrees een eenbeukige romaanse tufstenen kerk met recht gesloten koor. Van de oudste kerk zijn nog enkele muurdelen bewaard gebleven, waaronder een laag venster. In het derde kwart van de dertiende eeuw verhoogde men het schip en verving men het bestaande koor door een dwarsschip met nieuw koor; van deze bouwfase resteren de beide dwarsarmen met hun meloenvormige koepelgewelven. De noordelijke topgevel is in later tijd verdwenen, de zuidelijke topgevel is aan het eind van de vijftiende eeuw vernieuwd. In de tweede helft van de veertiende eeuw verrees de forse toren, die even breed is als het schip en onderaan bijna drie meter dikke muren heeft. De toren werd in 1610 hersteld. In de toren hangen twee klokken, uit 1397 en uit 1548; de laatste is gegoten door Geert van Wou (Il). In de periode 1480-1493 kwam het huidige laat-gotische koor tot stand, evenals de recht gesloten zuidelijke zijkapel en de langere, driezijdig gesloten noordelijke zijkapel (Mariakapel). Tussen 1520 en 1530 volgde de bouw van de smalle zuidelijke zijbeuk, voorzien van een laatgotisch zandstenen poortje met het jaartal 1529. Ten slotte verhoogde men in het tweede kwart van de zestiende eeuw nog het schip, dat met het koor onder één kap werd gebracht. Vermoedelijk in 1643 zal het oostelijke deel van de noordelijke zijkapel zijn ingericht tot een consistoriekamer met vlakke zoldering en verdieping. Bij de restauratie van de kerk in 1952 - 1959, naar plannen van R. Offringa en A.R. Wittop Koning, heeft men de koorscheidingswand uit 1892 verwijderd en de gewelven in de consistoriekamer gereconstrueerd.
Klik op een foto voor de diaserie van het exterieur
Interieur Het interieur van de kerk wordt overdekt door meloenvormige koepelgewelven (transeptarmen), netgewelven (schip en viering) en kruisribgewelven (koor en zijkapellen). De noordkapel (Mariakapel) heeft laat-vijftiende-eeuwse gewelfschilderingen met scènes uit het leven van Maria. Het transept heeft gewelfschilderingen (uit het eerste kwart van de zestiende eeuw). De schilderingen in het koor dateren uit de periode 1520 - 1540 en stellen Nieuwtestamentische scènes voor, met in het straalgewelf van de koorsluiting Christus als Salvator Mundi en boven het oostelijke venster de patroonheiligen van de kerk, St. Petrus en St. Paulus. Op de noordwand van de westelijke koortravee is het Laatste Oordeel afgebeeld. Familiewapens zijn te vinden op diverse sluitstenen, zoals die van de familie In den Ham (zuidbeuk), het echtpaar Aylkuma In den Ham (zuidkapel) en hun (stief)dochter Bauwe Heemster (koor). Tussen het koor en de zijkapellen bevinden zich laat-gotische natuurstenen afscheidingen met eiken deuren uit 1564. Tot de kerkinventaris behoren een preekstoel (late zeventiende eeuw, met delen uit 1832 en 1956) en een door A.D. Smit gemaakte herenbank met gesneden bekroning van het achterschot voorzien van de wapens van Rengers en Tjarda van Starkenborgh (1775). De orgeltribune bevat nog onderdelen uit 1562, maar stamt in haar huidige vorm uit 1665. Toen werd ook het orgel, dat oorspronkelijk uit 1562 stamt, gerenoveerd en kreeg het de wapens van Groningen en Loppersum. In 1736 vernieuwde A.A. Hinsz het instrument met gebruikmaking van ouder pijpwerk. Het snijwerk aan de kas is van Casper Struiwig. In 1803 volgde een renovatie met snijwerk van M. Walles. Van de talrijke hardstenen grafzerken in de vloer zijn de fraaiste die van Bauwe Heemster (overleden in 1540), Maria van Selbach (overleden in 1576) en Evert de Mepsche (overleden in 1642). De consistoriekamer heeft een marmeren schouw uit 1772. In 1858 is de inrichting van deze kamer aangepast.
Klik op een foto voor de diaserie van het interieur
Bronnen Het Groninger Orgelbezit van Adorp tot Zijldijk Monumenten in Nederland (ISBN: 90-400-9258-3)