Algemeen Het langgerekte kanaaldorp Hoogezand(-Sappemeer), ontstond na het graven van het Winschoterdiep. In 1613 werd aan de westzijde bij Foxhol begonnen met het graven van een veenontginningskanaal om, via Martenshoek met een knik om het ‘Hooge Sant’, in 1618 het Sappe- of Duivelsmeer te bereiken. Het meer werd dat jaar drooggelegd en in 1621 vestigden zich hier de eerste verveners. In 1631 werd het Kleine Meer, ten zuiden van Sappemeer, drooggelegd en in 1631 groef men in het noorden het Achterdiep. Op de uitgeveende dalgronden werd aan het eind van de achttiende eeuw begonnen met het verbouwen van boekweit en aardappels. Te Foxhol stichtte W.A. Scholten in 1842 de eerste aardappelmeelfabriek (‘Tonden’), waarna er met de komst van de stoommachine meer volgden. De aanwezigheid van veel zoet water was ook belangrijk voor de oprichting van de eerste strokartonfabriek in 1869. In de negentiende eeuw speelde verder de scheepsbouw een grote rol. De tussen de huizen aan het Winschoterdiep gelegen werven werden vanwege de bouw van de eerste ijzeren schepen vanaf 1880 naar het westen verplaatst, naar de Groninger kant van de Martenshoekster sluis. In die omgeving bevinden zich nog steeds veel werven (Bodewes, Van Diepen, Pattje, Smit, Coops & Nieborg, BSM en Merkur). Vanaf 1850 ontstond langs het Winschoterdiep één langgerekt bebouwingslint, maar het duurde nog tot 1949 alvorens Hoogezand en Sappemeer ook tot één gemeente werden samengevoegd. Nabij de kruising met de weg naar Veendam kwam vanaf 1910 de eerste uitbreidingswijk tot stand: Westerpark. In de jaren dertig volgde aan de overzijde van het Kalkwijksterdiep (nu Beukemastraat) de wijk Oosterpark. In het begin van de jaren vijftig werd het Winschoterdiep verbreed en aan de noordzijde omgelegd, waarna tussen 1961 en 1980 het oude kanaal grotendeels werd gedempt. Met een concentratie aan fabrieken te Foxhol en Martenshoek werd gaandeweg het hele gebied tussen het spoor en het nieuwe kanaal volgebouwd. In de jaren zeventig en tachtig verrezen ten zuiden van het spoor bij Martenshoek de grote nieuwbouwwijken Gorecht en Woldwijck.
Exterieur In 1668, werd de kerkelijke gemeente van Hoogezand gesticht. In 1669 werd, aan de zuidzijde van het inmiddels verdwenen Winschoterdiep, een rechthoekige schuurkerk van gele bakstenen gebouwd met smalle steunberen. De bevolking van Hoogezand groeide en in 1734 werd het gebouw verlengd met muurwerk in rode baksteen. Het kerkdak bestond eertijds uit twee kappen. Deze werden in 1926 vervangen door een tentdak. In 1728 is de pastorie met kerkenraadskamer (waarin een unieke schouw uit de bouwtijd) aan de kerk vastgebouwd. Dat pand heeft aan de voorzijde een karakteristieke ingezwenkte halsgevel met beeldhouwwerk. Later werd deze pastorie een kosterswoning, terwijl voor de kerk een nieuwe pastorie werd gebouwd. Dat pand is in de jaren zeventig weer verdwenen. Kerk en pastorie ondergingen in de jaren 1980-1981 een grondige restauratie. Een paar honderd meter verderop, aan de noordzijde van de weg die het Winschoterdiep heeft vervangen, is het kerkhof aangelegd. Dit kerkhof werd in 1668 in gebruik genomen. Hier bevinden zich enkele rijke grafmonumenten van industriële families, waaronder die van F. Meursing (overleden in 1891) en van M. Meursing (overleden in 1910). Het graf van E. ten Oever (overleden in 1893), eigenaar van een ijzergieterij, kreeg een gietijzeren ‘grafsteen’. Binnen een omheind gedeelte staan achttien gelijkvormige, wit geschilderde, gietijzeren grafstenen (‘puntpoalen’) van leden van de familie Smit. De oudste dateert uit ongeveer 1850, de jongste uit 1944. In de nabijheid staan zeven rijke hardstenen grafmonumenten van de akkerbouwfamilie Mulder. Op het kerkhof staat een stenen klokkentoren, die tevens dient als doorgang. De toren verrees in 1783 ter vervanging van een houten klokkenstoel en bestaat uit twee geledingen en een laag dak tegen vier frontons. Hij is daarmee een opmerkelijke voorloper van het negentiende-eeuwse neoclassicisme. In de toren hangt een klok uit 1948, gegoten door J. van Bergen.
Interieur De inventaris is voor een belangrijk deel uitgevoerd in Lodewijk XIV-stijl, zoals een preekstoel (1726) met wapenschilden van de schenkers Adriaan Joseph Trip, Jan Duirsema en William Butler, een overhuifde raadsbank met stadswapen (1733) en twee overhuifde herenbanken (eerste helft van de achttiende eeuw), waarvan een met de gereconstrueerde wapens van Anthonie Gerlacius (overleden in 1708) en Adriana Sophia van Persijn. Via een eigen toegangsdeur is de raadsbank vanaf het kerkplein bereikbaar. In de vloer ligt de zerk voor predikant J.H. Nieuwoldt (overlden in 1757). Het gebrandschilderde raam werd in 1939 vervaardigd door H. de Ru uit Haarlem. De kerk kreeg pas een uitbouw met galerij door de komst van het orgel. Achter de herenbank van Vredenburg langs werd een trapopgang gemaakt naar de nieuwe orgelzolder. Daarbij werd een tweede toegangsdeur gemaakt, naast de deur van de herenbank. Zo konden notabelen en organist, buiten het ‘ordinaire’ kerkvolk om, door twee aparte deuren het gebouw binnengaan, waarna de organist zich letterlijk boven de borgheer mocht plaatsen. Bij de laatste kerkrestauratie is de deur voor de organist komen te vervallen en de trapopgang zodanig gewijzigd, dat de organist alleen via de herenbank de trap kan bereiken. Deze wijziging zou nooit tot stand gekomen zijn in de tijd van de borgheer. Op de grootste frontpijp van het orgel is nog de volgende inscriptie bewaard gebleven: ‘Ds. C. Hoekstra heeft dit Orgel ingewyd en den eersten pijp gezet den 6 October 1887’. Het orgel, gebouwd door J.F. Kruse, werd in juli 1888 voltooid. Het instrument had een manuaal van negen stemmen en aangehangen pedaal.
klik op een foto voor de diaserie
Bronnen Monumenten in Nederland (ISBN: 90-400-9258-3) Het groninger orgelbezit van Adorp tot Zijldijk